• Anne.

Ode aan de krantenjongen (m/v)

Al vier uur zwabberen zoon en ik door de straten van ons dorp en verder. Zijn fietstassen zijn veel te zwaar beladen, bij elke bocht houd ik mijn hart vast. Een krant pakken en in een brievenbus steken veroorzaakt een heel geworstel met stuur en standaard. En het régent, mensen. Niet normaal. Ik kan me niet herinneren ooit zo nat geweest te zijn met kleren aan. Nou, misschien met afzwemmen.

'Hon-derd-tach-tig euro, mama! Dat is meer dan viieeer keer zoveel als ik nu verdien met die folders! En veeeel minder adressen! Ik zeg: eitje!' Met het paspoort van zijn oudere zus heeft hij zich opgegeven voor een krantenwijk. Nog geen week na haar vijftiende verjaardag werd hij al gebeld. Maar misschien is die leeftijdsgrens niet helemaal voor niets, bedenk ik me nu. En de aangeboden krant lijkt net te elitair: we juichen als we twee huisnummers in één straat hebben.


De avond ervoor hebben we schermafbeeldingen van de verschillende wijken geprint in een poging om tot een efficiënte route te komen. Maar een escape room is makkelijker. Al bij het eerste adres lopen we vast. Het moet bij het winkelcentrum zijn, maar na drie rondjes hebben we nog geen matching brievenbus gevonden. Het duurt een tijd voor we zien dat je ook bóven de Albert Heijn kunt wonen. Maar daarmee heb je nog geen brievenbus. 'Echt wel dat ik iemand ga fixen voor de zaterdag. Echt niet dat ik dit elke week ga doen.' Er is nog geen krant bezorgd. De miezer wordt regen.


Ter onzer verdediging: we wonen hier nog niet zo heel lang, al woonden we eerder ook niet ver weg. Bovendien moeten we in straten bezorgen die zo verschrikkelijk vers zijn, dat de bestrating nog ontbreekt - denkt u nog even aan het reeds geschetste weer? Eén straatnaambordje staat solitair in een lege zandvlakte, met alleen in de verte een huis. Maar als we daar aankomen, de modder van onze lippen likkend, klopt het huisnummer niet met onze lijst. Op elke hoek pak ik mijn telefoon erbij om het volgende adres op te zoeken. Ik prevel gebedjes dat het ding inderdaad waterdicht is, anders wordt dit nog een duur baantje. De looplijst is inmiddels zo nat dat-ie al scheurt als je ernaar kijkt.

Om wat te versnellen gaan we ons steeds meer opsplitsen. Dat gaat niet zo goed.

Als ik op een hoek sta te wachten, stopt er aan auto naast me en gaat het raampje naar beneden. 'Zijn fiets is stuk.' wijst een duim naar achteren. Ik denk dat de twinning doorweektheid onze relatie heeft verraden. Als ik de zoon aantref, ligt zijn voorlamp op de grond en is het stuur twee keer rond zijn as gedraaid. Een paar hoeken verder ligt de fiets opnieuw op de grond en alle, echt waar alle, kranten in een plas. Zo gauw als we kunnen proppen we ze weer terug in de fietstassen. Vanaf dit moment bezorgen we papier maché. En in een uithoek waar ik van mijn leven niet eerder ben geweest, raken we elkaar kwijt. Heen en weer fietsend in een doolhof van straten schreeuwen we elkaars naam, doof door de regen, blind door de strengen haar in ons gezicht. Denkt u aan De winter van '63, zoiets, maar dan in een natte variant. Als we elkaar terugvinden, zie ik paniek in zijn ogen: heel even had-ie zich Klein Duimpje gewaand, achtergelaten in het woud van de 21e eeuw: de vinexwijk. Zijn broodkruimels weggespoeld met het hemelwater. Hij is er klaar mee. Als we weer een beetje op adem zijn, zegt-ie: 'Zestig euro per maand vind ik ook wel goed.'

Een dag later loopt-ie weer gewoon zijn folders. Gelukkig regent het nog wel. Het zou wel heel rooskleurig zijn opeens, anders.






8 keer bekeken